Met gemengde gevoelens nam ik afscheid van 2016. Met zorg verwelkom ik 2017. De redenen laten zich samenvatten in het gevoel dat wij als Tweede Kamer in de afgelopen jaar hebben gefaald, en de vrees dat dit nu weer gaat gebeuren.

De onrust en onvrede in ons land hebben ongekende proporties aangenomen. Zouden wij niet moeten vaststellen dat wij als vertegenwoordigers van het volk niet langer geloofwaardig zijn? Meer dan ooit in de aanloop naar verkiezingen melden zich nieuwe partijen. Vooral als protest. Moeten we dit niet zien als een signaal dat kennelijk delen van ons volk zich niet langer vertegenwoordigd voelen? Natuurlijk mengen sommigen zich in de verkiezingsstrijd om zichzelf een plezier te doen met een goed salaris en wachtgeld na afloop. Maar kunnen wij ontkennen dat anderen met een nieuwe partij komen omdat wij er niet langer in slagen het hele volk te vertegenwoordigen?

Hoe komt dit toch? Zijn wij in de afgelopen tien-twintig jaar dom geweest? Of misschien laf? Of beide? Is op ons van toepassing de uitspraak van Jean-Claude Juncker, de huidige voorzitter van de Europese Commissie, toen hij in 2011 nog voorzitter was van Ecofin, de groep van Ministers van Financiën van de EU, een post die nu bekleed wordt door Jeroen Dijsselbloem. Juncker zei een keer: “Wij politici weten precies wat we zouden moeten doen, maar als we dat zouden doen zouden we de eerstvolgende verkiezingen verliezen.”

Wat is dit? Maken ook wij ons in de Tweede Kamer hier schuldig aan?

Hebben wij niet in de gaten – of willen we niet zien – dat we met onstuitbaar nieuwe regelgeving en beleid bezig zijn ons land kapot te bureaucratiseren? Laten we vooral niet zeggen dat de breed gedragen onrust over ons zorgstelsel iets nieuws is. De eerste signalen dat we bezig waren de eerste- en tweedelijnsgezondheidszorg te verstikken onder formulieren, spreadsheets, controles en andere uit de hand gelopen managementinstrumenten dateren al van voor 2000. Om het enkele jaren later nog erger te maken door een systeem van solidariteit te mengen met marktwerking. Dat is hetzelfde als een eekhoorn los laten in een volière. Wij dachten dat het goed zou gaan. Niet dus.

Die bureaucratiserende verstikking geldt ook voor het onderwijs. Wij stampen het basisonderwijs steeds verder vol met opdrachten waar ze met geen mogelijkheid aan kunnen voldoen. En terwijl de leerkrachten naar adem happen gooien we de zoveelste programmatische wijzigingen over ze heen.

Wat is er over van de slagkracht van onze politie? Wij gingen mee met de idee van nationale politie, maar we zien weer het bewijs dat centralisatie zelden of nooit méér effectiviteit en efficiency oplevert. Integendeel. Ook díe basisvoorziening rijten we in stukken met ondoordachte besluitvorming. En als dan jaren later een parlementaire enquête weer uitwijst dat we dom en vaak ook laf hebben zitten doen, dan sluiten we zo’n zaak af met de dooddoener ‘lessen voor de toekomst’.

Meer verdrietige effecten van ons werk ga ik niet opsommen. Het gaat om de vraag: zijn we als politieke partijen voldoende intelligent om tijdig in te zien welke besluiten we wel en niet moeten nemen? En als we eindelijk doorhebben dat we een fout maakten, hebben we dan voldoende moed om die te corrigeren? Ik vrees dat we beide vragen ontkennend moeten beantwoorden. Onze Tweede Kamer zit weliswaar vol met deskundige personen, maar dat zijn bijna allemaal specialisten op één beleidsterrein. De een heeft verstand van onderwijs, de ander van defensie, weer een ander kun je aanspreken op gezondheidszorg en een vierde weet veel van kunst. In sommige beleidssectoren hebben die goed werk verricht. Maar de optelsom van al die deskundigheden levert kennelijk geen Tweede Kamer op die met gezag zodanig werkt dat het volk zich goed vertegenwoordigd voelt. Is dat dan ook de reden dat leden van de Kamer voortijdig het ambt verlaten? Of was het lidmaatschap van de Kamer niet bedoeld om het volk te vertegenwoordigen, maar als springplank naar een betere baan?

Ons kennelijk onvermogen om het hele volk te vertegenwoordigen stimuleert sommigen om het dan zelf maar eens te gaan proberen. Ik geef ze geen ongelijk. Welke motieven ze ook hebben, en welke middelen ze ook gebruiken om kiezers achter zich te krijgen, per saldo hebben wij dit als politiek systeem allemaal zelf doen ontstaan. Trots op het eigen land is omgeslagen in benepen nationalisme, krachtige vrije meningsuiting verworden tot onnozel populisme, kritisch denken verdwaald in beledigen en haat zaaien, constructief opbouwen verkruimeld tot kunstmatig vijanden creëren, correcte feiten en argumenten verruild voor bedwelmende drogredenen, de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten bedreigd door arrogante schending van de Grondwet. Dit alles is niet met de noordenwind het land komen binnen waaien. Noch met vluchtelingenstromen vanuit het zuiden fort Europa binnen getrokken. Wij hebben het zelf laten gebeuren.

Wij hebben zitten slapen, zeuren en ruzie maken. Wij hebben jarenlang gedacht dat als we voldoende leden in onze partijen hadden, dat we dan bezig waren het hele volk te vertegenwoordigen. Maar in plaats daarvan creëerden we een particratie, een kleine groep van zo’n 300.000 Nederlanders die onderling zo’n 80% van de topfuncties in de politiek, het bestuur, de adviesorganen, de wetenschap en het bedrijfsleven verdelen. En daarmee sloten we duizenden niet-partijgebonden landgenoten uit om dergelijke functies te vervullen. Kunnen wij, leiders van politieke partijen, met droge ogen volhouden dat artikel 3 van de Grondwet, namelijk ‘Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar’ daadwerkelijk in de praktijk door ons wordt toegepast? Zouden we niet beter erkennen dat dit flauwekul is? Hebben wij die functies niet gereserveerd voor ons zelf en voor onze partijgenoten? Is het dan raar dat bekwame, niet aan een partij verbonden personen, zich afkeren van ons politieke systeem en zich laten verleiden toe te treden tot groepen die de zogeheten gevestigde politiek haten, maar intussen zich zelf proberen te nestelen in de gaten die wij hebben laten vallen?

De geschiedenis heeft al vele malen laten zien wat er gebeurt met een elite die door coöptatie vanzelf steeds kleiner wordt. We zien dat in onze eigen partijen. Het aantal leden vermindert. Onze zelf gecreëerde particratie verwordt tot een oligarchie en daarna is het een kwestie van een vlam in de pan die de oligarchie laat omslaan in een ochlocratie, de heerschappij van het gepeupel. Zijn we blind? Zijn we doof? Hebben we slecht onderwijs genoten? Of hebben we gewoon niet goed opgelet toen de leraren maatschappijleer ons vertelden hoe democratie kan gaan verkeren in haar tegendeel als je niet op tijd de bakens verzet, vernieuwingen doorvoert en achterlijkheid inruilt voor kennis?

Kennelijk hebben we inderdaad niet goed opgelet. Wij hebben zelf onze geloofwaardigheid ontregeld met ongeremde reeksen zinloze vragen, moties en spoeddebatten. Wij laten bewindslieden naar de Kamer komen voor niks en niemandal. Nee, dat is niet waar. We laten ze komen om naar ons zelf te lúísteren, in de hoop dat een tv-camera net dat ene moment oppikt, zodat we bij het journaal ook nog een keer naar ons zelf kunnen kíjken. Is onze Tweede Kamer een podium voor ijdeltuiten of is het die ene, unieke plek waar slechts één criterium mag gelden, namelijk het onvermoeibaar en rusteloos leveren van politieke topkwaliteit? Is het niet voor dit ene criterium dat het volk een deel van zijn soevereiniteit heeft afgestaan – en daar nota bene ook nog zelf voor betaalt?

Wij hebben boven alles onze Tweede Kamer laten departementaliseren. We staan met het gezicht naar de beleidsagenda’s van de ministeries en met de rug naar het volk. Wij kunnen voor de tv-camera’s prima uitleggen waarom wij het anders zouden doen als wij minister zouden zijn, maar als voltallige Tweede Kamer zijn wij niet langer in staat om ons prachtige veelkleurige volk, met zijn brede waaier van identiteiten, gevoelens, gedachten, wensen, durf, werkkracht, creativiteit en vindingrijkheid op een zodanige manier te bedienen dat het zich vertegenwoordigd voelt. Wij kregen een deel van die soevereiniteit van het volk om er iets goeds mee te doen. Maar we hebben gefaald. Het volk vertrouwt ons niet meer.

Met de komst van het regeerakkoord – jaren geleden – verloren we onze parlementaire democratie. Wij als Tweede Kamer waren vanaf dat moment niet langer de baas in ons eigen huis. De regering was de baas. En wij konden net zo goed vier jaar naar huis gaan. Behalve als we bereid waren een regering naar huis te sturen. Maar dat doen we liever niet wegens de hoge prijs die we dan meestal moeten betalen.

En laten we nu ook maar vaststellen dat we ook de representatieve democratie kwijt zijn. Het volk voelt zich niet langer vertegenwoordigd door ons. Nota bene onze eerste taak: het volk vertegenwoordigen. We weten niet meer wat dat is. We zullen dat opnieuw moeten uitvinden.

Een enkele keer kon ons land zien dat we er als Tweede Kamer zijn voor het hele volk. Namelijk toen het kabinet voor bepaalde besluiten geen meerderheid in de Eerste Kamer zou kunnen krijgen. Toen hebben enkele oppositiepartijen getoond dat een regeerakkoord een onding is dat we zo snel mogelijk moeten afschaffen, en dat wij best wel in staat zijn om in overleg dat te doen waarvoor we zijn gekozen, namelijk het politieke ambt vervullen voor het hele land, in plaats van een kabinet op zijn gezicht te laten vallen, omdat het óns kabinet niet is. Toen vertegenwoordigden wij het volk. Wij deden concessies, wij sloten compromissen in het algemeen belang. Die ene keer. Maar dat weegt bij lange na niet op tegen de bedenkingen over ons reguliere functioneren, observaties die ons van vele kanten bereiken, maar waar we kennelijk niet ontvankelijk voor zijn.

Hoelang nog kunnen we dit volhouden? Hoelang nog kunnen we de directe en indirecte kritiek van de Raad van State, de Algemene Rekenkamer en de Nationale Ombudsman op ons functioneren blijven negeren? Nou, die vraag laat zich gemakkelijk beantwoorden. Zolang die drie Hoge Colleges van Staat worden gevuld met zorgvuldig geselecteerde partijgenoten, met extreme aandacht voor het bewaren van een benoembaarheidsbalans tussen de partijen onderling, glijdt  die kritiek van ons af zoals water van een zeeleeuw.

Wij veroorloven ons om jaar na jaar de tienduizenden professionals die ons land overeind houden lastig te vallen met nieuwe regels, nieuwe structuren, nieuwe procedures. We maken hun werk onuitvoerbaar. En als zij terecht op hun voorhoofd wijzen blijven wij zelf angstvallig buiten schot. Zodra iemand met een vinger naar ons wijst en zegt “Zouden jullie niet eens een keer zelf vernieuwen” dan schreeuwen we moord en brand. Hoelang nog steken we onze kop in het zand? Wanneer houden we eens op om de Eerste Kamer de schuld te geven van onbestuurbaarheid omdat die Kamer het nuttig en nodig vond de bedenkelijke kwaliteit van sommige wetsproducten af te wijzen? Wanneer arriveert het begrip ‘vernieuwing’, wat zeg ik: ‘grondige vernieuwing’ in onze Tweede Kamer?

Organisaties die zich niet aanpassen aan veranderende omstandigheden gaan ten onder. Voordat het doek valt gaan ze eerst door een identiteitscrisis. Welnu, daar zitten wij als Tweede Kamer middenin. Wij hebben geen psychiater nodig om vast te stellen dat ons politieke systeem tot aan zijn nek in een identiteitscrisis verkeert. En dat onze politieke levenscyclus klinisch dood is. Maar hoelang nog stellen we het uit om dit toe te geven? Wij hebben ons vele tientallen jaren niet aangepast aan de ingrijpende veranderingen binnen ons volk. Noch aan de voortgaande veranderingen om ons heen, in Europa en in de wereld. Wie zich niet tijdig aanpast blijft achter – wordt gaandeweg achterlijk – en sterft tenslotte af. Willen we dat? Nou, ik niet.

Na de watersnoodramp van februari 1953 hebben we de wereld laten zien wat een Deltaplan is. En ondanks dat indrukwekkende verdedigingswerk tegen het water vonden wij het enkele jaren geleden toch vanzelfsprekend om een Deltacommissaris te laten benoemen. Een persoon die met bijzondere volmachten ons land aan de binnen- en aan de buitenkant nog beter moet beschermen tegen nieuwe watersnoodrampen nu de verandering van het klimaat de zeespiegel doet stijgen. Zou het niet tijd worden nog een paar andere Commissarissen te benoemen? Wij hebben inmiddels bewezen dat we niet uit ons zelf kunnen vernieuwen. Dus moet iemand ons maar eens de weg wijzen.

Laat mij een stuk of drie, dringend aan te stellen Commissarissen noemen.

Om te beginnen eentje die de relatie tussen parlement en regering grondig vernieuwt. Geen staatscommissie vol met partijgebonden leden die elkaar enkele jaren bezig houden met argumenten waarom er vooral niets moet gebeuren, maar iemand die met het gezag van kennis en diplomatie het parlement weer op de weg brengt van zijn allereerste taak en verantwoordelijkheid, namelijk het vertegenwoordigen van het volk. En daarmee de regering weer in het spoor brengt van de eerste taak en verantwoordelijkheid van een regering, namelijk uitvoeren wat het parlement in de uitoefening van het politieke ambt heeft besloten. Niet omgekeerd, zoals nu het geval is: nu beslist de regering en wij als Kamer moeten het verzegelen met regels, waarvan later vaak blijkt dat we iets doms hebben gedaan.

Enkele belangrijke rapporten over het disfunctioneren van de Tweede Kamer – van de Nationale Conventie in 2006 en van een Kamercommissie in 2009 – hebben wij handig laten wegmoffelen. Blij dat de politieke journalisten die rapporten behandelden als voorbijgaand nieuws in plaats van ons maandenlang te bestoken met diepgaande analyses van ons disfunctioneren. Die rapporten moeten weer op tafel komen, als samenstellende bestanddelen van de basis voor een grondige heruitvinding van wat onze eerste taak is: het vertegenwoordigen van het volk.

Er is een tweede Commissaris nodig, eentje voor de gemeenten. Ons volk leeft in gemeenten. Daar speelt zich het leven af. Wonen, werken, leren, recreëren, uitgaan, relaties onderhouden, zorg verlenen, geboren worden en sterven. De afgelopen jaren hebben we de gemeenten opgezadeld met nieuwe opdrachten zonder ze eerst zodanig te vernieuwen dat ze die opdrachten ook aan zouden kunnen. Of we het nu hebben over de nieuwe zorgtaken, over de invulling van een participatiesamenleving, over daling van de omvang van de bevolking aan de randen van het land waardoor daar de leefbaarheid in het gedrang komt, over het volstromen van de grote gemeenten waardoor ook daar leefbaarheidsproblemen ontstaan, aan alles kunnen we merken dat een deel van de ongeveer 390 gemeenten piept en kraakt onder de druk van verantwoordelijkheden die niet worden gesteund door adequate bevoegdheden en financiële middelen.

Wij hebben vele jaren geleden ervoor gekozen om de gemeentelijke herindelingen te laten gebeuren als een proces van de gemeenten zelf. Elk jaar wordt het aantal kleiner omdat steeds meer gemeenten inzien dat de tijden zijn veranderd. De moderne Nederlander verlangt terecht een voorzieningenniveau dat niet meer door de kleine gemeenten kan worden geleverd. En dus creëren ze langzaam maar zeker grotere bestuurlijke gebieden. En dat die grotere gebieden perfect bestuurbaar zijn tonen Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht.

Maar het is inmiddels ook duidelijk dat dit proces van herindeling veel te langzaam gaat. Het moment is aangebroken dat we een Commissaris nodig hebben om knopen door te hakken. Om drie knopen te noemen. Ten eerste. Vervang de ongeveer 390 gemeenten door 40 zogeheten Coropgemeenten. Coropgebieden zijn planregio’s die al vele jaren bestaan en die uitstekend als gemeente voor een samenhangend bestuur kunnen zorgen. Ten tweede. Zoveel als mogelijk moeten verantwoordelijkheden en bevoegdheden, inclusief financiën worden overgeheveld naar die 40 Coropgemeenten. Die moeten rijk worden, rijk met bevoegdheden en rijk met geld. Ten derde. De provincies zijn allang over hun houdbaarheidsdatum heen. Schaf ze allemaal af. Hevel hun verantwoordelijkheden en bevoegdheden, inclusief al hun middelen – personeel, geld, gebouwen, computers et cetera – over naar die 40 Coropgemeenten.

Bespaar u de moeite. Ik ken alle uitvluchten, smoesjes en drogredenen die de afgelopen dertig jaar een dergelijke vernieuwing hebben kunnen tegenhouden. Ik ken ook de op zichzelf goed geformuleerde argumenten tégen een dergelijke ingreep. Maar het gaat om dat ene argument waarom we hier niet langer mee kunnen wachten, namelijk omdat we onze vermolmde drielagenstructuur moeten vernieuwen sinds boven ons land de nieuwe politieke en bestuurlijke laag van het gezamenlijke Europa is ontstaan. Wij moeten ons eindelijk eens aanpassen aan deze nieuwe politieke orde.

En dat brengt me bij een derde Commissaris die we dringend nodig hebben. Eentje om ons te helpen ons land krachtig te positioneren binnen de voorspelbare komst van een federaal Europa. Als er één onderwerp is waarover menig collega-politicus onzin verkondigt – sterker nog, als valse profeten het volk onjuist voorlichten door te zeggen dat een federatie een superstaat is – dan is het wel de noodzaak om het huidige verkeerde besturingssysteem van de Europese Unie te verruilen voor een Europese Federatie.

Ik ga dat hier niet verder uitleggen. Alleen deze paar zinnen wil ik nu kwijt. In het huidige intergouvernementele besturingssysteem van de Europese Unie zijn alle lidstaten hun oorspronkelijke Westfaalse soevereiniteit kwijtgeraakt. Als we die terug willen hebben kan dat alleen in een federatie, omdat in een federatie de lidstatelijke politieke identiteit, cultuur, taal en structuren gegarandeerd blijven. Collega’s die mij hierin willen tegen spreken zijn gewaarschuwd: zorg dat u uw dossier kent, anders confronteer ik u met uw begripsmatige onwetendheid. En met uw schuldige nalatigheid om het volk met correcte feiten en argumenten het nut en de noodzaak van een Europese Federatie uit te leggen.

Het intergouvernementele besturingssysteem van de Europese Unie heeft het einde van zijn levenscyclus bereikt. Het voorspelbaar uiteenvallen van de Europese Unie zal onder meer tot gevolg hebben dat een kleine groep landen eindelijk doet wat al enkele eeuwen, en vanaf 1945 met het gezag van feiten en argumenten is bepleit, namelijk Europees federaliseren. Om zodoende aan te sluiten bij de 40% van de wereldbevolking die nu al in zo’n 28 federaties leeft. De enige staatsvorm die het mogelijk maakt om landen en volkeren met verschillende politieke systemen, verschillende culturen, verschillende talen en identiteiten – en met behoud van hun eigen soevereiniteit – met elkaar te laten samenwerken en samen wonen. Die boot mag Nederland niet missen.

U begrijpt dat ik gereed ben om mij met iedereen te meten die over deze gedachten de strijd wil aan gaan. Ik heb genoeg van de oorkleppen en blinddoeken waarmee wij ons afschermen voor elke vorm van kritiek op ons functioneren. En ik heb ook genoeg van de onwil en onkunde van onze Tweede Kamer om zich aan te passen aan veranderende omstandigheden. Het vertegenwoordigen van het volk is onze zaak, onze taak, onze verantwoordelijkheid. En nu wij daarin tekort schieten moeten we eerst aan ons zelf werken.

Terug naar die drie Commissarissen. Die zijn niet van de regering maar van ons. We zouden ze dus Kamercommissarissen kunnen noemen, of Volkscommissarissen. Maar die woorden liggen niet lekker. Bovendien wil ik – los van mogelijke staatsrechtelijke bezwaren tegen de introductie van personen van buiten de Tweede Kamer – om principiële redenen die Commissarissen in eigen huis hebben en houden. Dit zal de test zijn: kunnen we ons zelf vernieuwen? Dus kunnen wij ons zelf – zoals Tjeenk Willink ooit van ons verlangde – als Baron van Münchhausen aan onze eigen haren uit het moeras trekken? Ja? Dan hervinden we de inhoud van onze eerste en belangrijkste taak, het vertegenwoordigen van het volk. Nee? Dan wacht ons een duistere periode van populistisch en nationalistisch despotisme.

Mijn idee is dat de drie genoemde vernieuwingsprocessen plaatsvinden onder verantwoordelijkheid van de Voorzitter van de Tweede Kamer. Die functionaris bewaakt de orde. En wie de orde bewaakt, die bewaakt alles.

De Voorzitter moet  zich tot dat doel laten bijstaan door drie Commissarissen uit en door de Kamer benoemd, voorzien van alle middelen die de Voorzitter en deze drie Commissarissen nodig achten en met de opdracht om radicaal te vernieuwen. Dit werk gaat voor alles. Al het andere Kamerwerk is secundair, totdat deze drie vernieuwingsprocessen zodanig op gang zijn gebracht dat ze niet meer kunnen terugvallen in de toestand van nu.

Ik sluit af met de mededeling dat ik het initiatief neem om de ‘Wet beëdiging ministers en leden Staten-Generaal’ te doen aanpassen. Artikel 2 van die wet regelt de eed of belofte die wij afleggen bij het aanvaarden van ons ambt als Kamerlid. Daarmee zweren of beloven wij onder meer trouw aan de Koning, aan het Statuut en aan de Grondwet. Dat is niet genoeg. Wij moeten boven alles trouw zweren, of beloven, aan het volk. Dat staat ten onrechte niet in dat artikel 2. Hoe kunnen wij het volk vertegenwoordigen als de eed of belofte van trouw aan het volk ontbreekt?

In de komende weken zal ik proberen voor deze manier van denken en handelen een politiek akkoord te verwerven. Met het doel om onmiddellijk na installatie van de nieuwe Tweede Kamer de Voorzitter en haar drie Commissarissen aan het werk te zetten.

Met dit alles kan Nederland weer doen waar het altijd goed in is geweest: voorop lopen, een avant garde positie innemen, nieuwe horizonten opzoeken, grenzen verleggen, en zelf de juiste richting geven aan het onvermijdelijke proces dat alles voorbijgaat.


Delen: Facebooktwitterredditlinkedinmail